Mijn vroeger lief vond dat ik niks van muziek kende. Hij ging namelijk vaak uit, clubbing weet je wel. En ik nooit. Er zit geen avondmens in mij. Ik herinner me dat ik ooit om 9 uur ‘s ochtends, tijdens een weekdag, op het punt stond alle ziekenhuizen te bellen. Meneer was nog niet thuis. Even later wandelde hij doodleuk binnen, kwam van de een of andere afterparty. Mister Gin Tonic noemden ze hem in die kringen. CD’s kocht hij ook bij de vleet. Ik leerde dat ik eerst moest gaan luisteren bij de FNAC voor ik een CD kocht. Dat was van voor I tunes. Ik keek liever naar de hoes, en ja dan zaten er al ‘s miskopen tussen. Live a little, weet je wel. Toen ik toch ‘s een keer mee uit ging, vechtend tegen de vaak, en met een paar gin tonics om erin te komen, had ik toen ook mijn imago niet mee. Tijdens een behoorlijk bonkend nummer, leunde hij naar me toe en riep in mijn oor: “Dit is techno, Geertrui.”
Met een nieuw lief in de aanslag, kon ik mijn geblutste imago oppoetsen. Hij is ‘into music’ dus zocht ik zorgvuldig CD’s uit als hij langskwam. Hoe obscuurder, hoe beter. Ethiopische jazz van Mulatu Astatke, DAAU (they’re from Antwerp, leerde ik hem), of Huun Huur Tu met Dikke Jo. Aan zijn reacties te zien, was ik goed bezig. Maar lang kon het mooie liedje niet duren. Al gauw peuterde ook hij gaten in mijn muzikale opvoeding. Philip Glass, nee ken ik niet. En bandjes waar hij T-shirts van bijhield zeiden me ook niet bijster veel. Een muziekinstrumenten bespelen? Telt een blokfluit mee? Tut tut, ik ben geïnteresseerd, en kan maat houden. Dat is ook al veel waard.
Voor zijn Kerst haalde ik alles uit de kast. Ik boekte 2 kaarten voor het Philip Glass 75ste verjaardagsconcert in Carnegie Hall. Patat! Daar had hij niet van terug. Die avond doften we ons op en klommen de trappen op. De concertzaal zat stampvol. Philip Glass had weer ‘s een goeie symfonie geschreven. Ik genoot. Tot mijn wederhelft zich midden in het concert tijdens een behoorlijk druk stukje muziek naar me toe boog en in m’n oor fluisterde: “This is arpeggio.”
